Het geheim van de Schneeloch: waarom het ene skigebied altijd verzuipt in de sneeuw

Sneeuw op een auto
Dik pak sneeuw in St. Anton am Arlberg
10 juni 2026, 07:30 uur

2 minuten

10 juni 2026, 07:30 uur

2 minuten

Het is een bekend fenomeen in de Alpen: het ene skigebied claimt begin december al een sneeuwhoogte van anderhalve meter, terwijl een skigebied hemelsbreed dertig kilometer verderop amper de pistes wit heeft. Hoe kan het dat sommige regio's steevast worden gezegend met meters sneeuw, terwijl andere gebieden moeten vechten voor elke vlok? Welkom in de wereld van de 'Schneelochs' en de wetten van de alpiene geografie.

Een kort antwoord

Een 'Schneeloch' is een skigebied dat door zijn geografische ligging en de oriëntatie van de bergketens extreem veel sneeuw vangt bij specifieke windrichtingen. Dit ontstaat door stauingsregen (orografische neerslag): vochtige luchtmassa's worden tegen de eerste hoge bergketen omhoog gedrukt, koelen af en condenseren, wat leidt tot intense, langdurige sneeuwval aan de loefzijde van de berg.

Het principe van Nordstau en Südstau 

De Alpen fungeren als een gigantische barrière in het centrum van Europa. Wanneer een krachtig lagedrukgebied vochtige lucht vanaf de Noordzee of de Atlantische Oceaan richting het zuiden stuwt, botst deze lucht frontaal op de noordelijke Alpenrand. Dit noemen we een Nordstau. De lucht kan niet om de bergen heen en moet omhoog. Tijdens het stijgen koelt de lucht snel af, waardoor de waterdamp condenseert en verandert in sneeuw. Skigebieden die in deze eerste vuurlinie liggen, krijgen de volle laag. Denk hierbij aan regio's zoals het Bregenzerwald (Damüls), het Arlberggebied (Warth-Schröcken) of het Loser-Altaussee gebied in Oostenrijk. Deze gebieden behoren statistisch gezien tot de absolute top-Schneelochs van Europa. 

Hetzelfde principe geldt aan de zuidkant van de Alpen bij een Südstau, waarbij vochtige lucht vanaf de Middellandse Zee tegen de bergen botst. Regio’s zoals Nassfeld of de Julische Alpen verdrinken dan in de sneeuw, terwijl de noordkant geniet van een milde, droge föhnwind. 

De droge ‘binnendalen’

Aan de andere kant van de medaille staan de zogenaamde binnendalen (Inneralpine Täler). Tegen de tijd dat een wolkenband over de eerste hoge bergketens heen is geklauterd, is de meeste vochtigheid er al uitgevallen. De lucht zakt aan de achterzijde van de berg weer naar beneden, warmt op en de wolken lossen op. Gebieden die diep in de Alpen liggen ingeklemd, krijgen hierdoor van nature veel minder neerslag. Zij moeten het hebben van hun hoge ligging en koude temperaturen om de sneeuw goed te houden, in plaats van constante dumps.

Reacties


Log in en lees reacties